Veel medicijnen kunnen de werking van antistollingsmiddelen beïnvloeden, d.w.z. het effect versterken of juist tegenwerken. De invloed van deze medicijnen op de antistolling kan ook van persoon tot persoon verschillen. Er zijn echter ook medicijnen die nooit samen met antistollingsmiddelen gebruikt mogen worden.
Indien u andere medicijnen gaat gebruiken graag meteen contact opnemen met de trombosedienst. Dit geldt ook als de medicijnen weer stoppen, dan zal immers het omgekeerd effect optreden. Koopt u medicijnen zonder recept, informeer altijd of ze samen met de antistollingsmiddelen gebruikt kunnen worden. Lees de bijsluiter zorgvuldig door.
Neem nooit op eigen initiatief andere medicijnen in. Ook geen "onschuldige" huis-tuin- en keukenmiddelen (b.v. vitaminepreparaten, laxeermiddelen en kruidenmiddelen). Indien u een pijnstiller wilt gebruiken of iets tegen de koorts, neem dan paracetamol. Zeker geen aspirine of andere pijnstillers gebruiken.
Tussen de apotheken en de trombosedienst zijn afspraken gemaakt over het melden van medicijnen die interactie geven met de antistollingsmiddelen. Beide beschikken over naslagwerken waarin de medicijnen beschreven staan die elkaar kunnen beïnvloeden.
Het kan zijn dat u eerder gecontroleerd dient te worden.
Indien u de trombosedienst belt, maak gebruik van het telefonisch spreekuur. Afhandeling van al uw vragen, boodschappen gaat sneller indien u uw patiëntnummer paraat heeft. Dit nummer staat op de voorzijde van uw doseerkalender. Noteer dit nummer op een gemakkelijke plaats thuis, bijvoorbeeld bij de telefoon.
Indien u na 16.30 de trombosedienst belt, krijgt u een antwoordapparaat. Hierop staat aangegeven wat u in geval van nood dient te doen. U kunt altijd een boodschap inspreken. Een medewerker van de trombosedienst neemt op de eerstvolgende werkdag contact met u op.
Wanneer contact opnemen met de trombosedienst?
Hebt u een dik been
Kunt u niet meer goed praten
Hebt u verlammingsverschijnselen
Hebt u een bewustzijnsdaling
Kunt u plotseling niet goed zien
Hebt u zwarte ontlasting
Hebt u een bloeding in spier of gewricht
Bel zo spoedig mogelijk de trombosedienst (058-2867930). Dit zijn namelijk verschijnselen die kunnen wijzen op een ernstige bloeding of een ernstig letsel.
U wordt door uw behandelend arts verwezen naar de trombosedienst omdat u stollingsremmende medicijnen gebruikt (cumarines) en door dit stollingsmedicijn wordt uw bloed minder stolbaar gemaakt. De trombosedienst controleert dit door een buisje bloed af te nemen.
Indien u langdurig orale antistollingsmiddelen dient te gebruiken kan deze controle onder bepaalde voorwaarden ook door u zelf worden aangeleerd (zie Zelfmeting en Zelfdosering).
Regelmatig zal er bloed bij u worden afgenomen. Dat doet de medewerker van de trombosedienst. Bloedafname kan bij de trombosedienst op de hoofdvestiging of in een prikpost bij u in de buurt (poliklinisch). Soms vindt ook bloedafname “aan huis” plaats. Het afnemen van bloed “aan huis” zal alléén kunnen plaatsvinden als hier medisch aanwijsbare redenen voor zijn.
Degene, die bij u bloed afneemt, is tegelijk uw contactpersoon bij uw trombosedienst. Profiteer daarvan. Heeft u problemen of vragen over de behandeling met antistollingsmiddelen, vertel het dan aan deze medewerker. Wellicht krijgt u direct antwoord, zo niet, dan wordt uw vraag en/of uw probleem voorgelegd aan de arts van uw trombosedienst.
Heeft u klachten, die betrekking hebben op uw behandeling bij de trombosedienst, bespreek deze in eerste instantie met de betrokken medewerker(s). Mocht u na dit overleg niet tevreden zijn neem dan contact op met de leiding van de trombosedienst.
Als uw klacht onvoldoende wordt behandeld kunt u terecht bij de klachtencommissie van Zorggroep Noorderbreedte. Deze klachtencommissie is een onafhankelijke commissie die uw klacht onderzoekt en een uitspraak doet over de gegrondheid van de klacht. Meer informatie over de klachtenprocedure kunt u opvragen bij de trombosedienst.
Klik hier voor het downloaden van de klachtenbrochure.
In verband met de behandeling worden bij de trombosedienst medische en administratieve gegevens over u vastgelegd. Alleen de doseerartsen van de trombosedienst en medewerkers van de trombosedienst mogen uw gegevens inzien. Zij hebben tegenover anderen een geheimhoudingsplicht.
De trombosedienst gaat uiterst zorgvuldig met uw gegevens om. Indien u dat wenst kunt u het privacyreglement bij de leiding van de trombosedienst inzien.
... met behulp van acenocoumarol, fenprocoumon? Bijna alle stollingsfactoren worden aangemaakt in de lever. Bij vier factoren is voor de aanmaak vitamine K van belang. De antistollingstabletten zorgen ervoor dat door tegenwerking van Vitamine K minder stollingsfactoren worden aangemaakt. Vitamine K kan worden gebruikt ter correctie van de INR indien deze te hoog is. Ook kan de vitamine K worden gebruikt om de antistolling te corrigeren voor een onderzoek of een operatie. Vitamine K druppels werken pas na een aantal uren, omdat eerst de stollingsfactoren weer moeten worden aangemaakt.
Na 4-6 uur zal de INR dalen en na 24 tot 36 uur zal het effect maximaal zijn. Vitamine K neem je op in het lichaam door het eten van groenten, melkproducten, maar ook de normale bacteriën in onze darmen zorgen voor de aanmaak van vitamine K. De antistollingstabletten werken vitamine K tegen. De hoeveelheid vitamine K in het lichaam is aan schommelingen onderhevig. Een reden is dat mensen gevarieerd eten (dus verandering van voedsel). Een andere oorzaak kan zijn het gebruik van antibiotica. Als de hoeveelheid vitamine K in het lichaam wisselt, heeft dit gevolgen voor de mate van antistolling. Dat kan de reden zijn dat men de éne keer meer tabletjes en de andere keer weer minder tabletjes dient in te nemen. Derhalve is een regelmatige controle nodig, omdat zoals al eerder vermeld, bloed dat te weinig anti-stold is een verhoogde kans op trombose geeft en bloed dat teveel anti-stold is een verhoogde kans op bloeding geeft.
... met behulp van heparine In acute situaties kan gekozen worden voor toediening van heparine. Tegenwoordig wordt meestal gebruik gemaakt van laag moleculair gewicht heparine (LMWH). LMWH is onder verschillende namen verkrijgbaar: Fraxiparien, Fraxodi, Fragmin, Clexane en Innohep. De injectie van alle LMWH's is vlak onder de huid en kan in de meeste gevallen door de patiënt zelf verricht worden. Een goed voorlichting is daarbij wel van groot belang gebleken. Bij de behandeling van een trombosebeen wordt vaak gebruik gemaakt van deze medicatie en de cliënt wordt na consult bij huisarts of specialist naar huis gestuurd en opname is vaak niet meer nodig.
... met behulp van acetylsalicylzuur Ter voorkoming van stolselvorming in slagaders kan ook gebruik worden gemaakt van acetylsalicylzuur (aspirine). Momenteel worden een aantal nieuwe antistollingsmiddelen ontwikkeld die mogelijk in de toekomst bovengenoemde middelen gaan vervangen.
Nee. Wanneer een trombose optreedt zorgen medicijnen ervoor dat het stolsel niet verder aangroeit. Het opruimen van trombose doet het lichaam voor het grootste gedeelte zelf, maar dat duurt enige tijd.
Vooral in het begin van de behandeling wordt er wel eens geklaagd over hoofdpijn, misselijkheid of haaruitval. Deze klachten verdwijnen vaak na enkele weken spontaan. Mocht dit niet het geval zijn dan kan er overgegaan worden op een ander antistollingsmiddel. Op lange termijn bestaat er een lichte kans op botontkalking.
Enkele medicijnen kan men beter niet gelijktijdig innemen. Deze medicijnen beïnvloeden de werking van de antistollingsmedicijnen. Uw apotheek dient u hierover te informeren. Het is belangrijk om altijd medicatieveranderingen door te geven aan de trombosedienst.
Hierover is niet veel bekend. Wel is bekend dat het gebruik van St. Janskruid in combinatie met de antistollingsmedicijnen wordt afgeraden en bij het gebruik van ginseng de bloedingskans wordt verhoogd. Het is altijd raadzaam om bij gebruik van homeopatische middelen te overleggen met de arts van de trombosedienst. Dit geldt ook voor het gebruik van vitaminepreparaten.
Factoren die de antistolling kunnen beïnvloedenzijn:
Wel: Voeding Antibiotica Reizen Diarree en/of braken Andere medicijnen stress?
Niet: Normaal gebruik van alcohol
(maximaal 2 consumpties per dag) Sporten (normale intensiteit)
Voeding Het gebruik van gezonde voeding wordt aanbevolen. Er zijn voedingsmiddelen die meer vitamine K bevatten dan andere. Een gevarieerd voedingspatroon is daarom belangrijk. De invloed van de voeding op de stabiliteit van de antistollingsbehandeling is dan gering. Rijk aan vitamine K zijn o.a.: spinazie, bloemkool, spruiten, broccoli, kool, sla, zuurkool, sojabonen, zonnebloemolie, kippenlever en lever, bananen, perziken en melk. Arm aan vitamine K zijn o.a.: komkommer, aardappelen, tomaten, maïs, appelen, sinaasappelen en avocado. Een standaard Nederlands dieet heeft een hoog vitamine K gehalte in de winter (veel koolachtige groenten) en een lager gehalte in de zomer (meer tomaten en fruit). De Oosterse keuken is redelijk vitamine K arm.
Vermageringsdiëten kunnen ook invloed uitoefenen. Vitamine K is een vetoplosbaar vitamine d.w.z. de opname door de darmen is sterk afhankelijk van de aanwezigheid van vetten. Bij het vermageren gaat men vaak vetvrij of vetarm eten. Dit zal dus effect kunnen hebben op de antistolling.
Alcohol Een gematigd alcoholgebruik (1 tot 2 glazen per dag) is goed mogelijk bij een antistollingsbehandeling. Teveel alcohol kan tot beschadiging van de lever leiden en daardoor de stabiliteit van de antistolling beïnvloeden, omdat in de lever de stollingsfactoren worden aangemaakt. Tevens kan alcohol het slijmvlies van slokdarm of maag beschadigen met een verhoogd risico op bloedingen. Een advies is om de levensstijl aan te passen aan de ontstane situatie.
Ziektes Acute ziektetoestanden zoals, hartfalen, koorts, diarree, braken en leverlijden, kunnen ook de antistolling beïnvloeden en schommelingen veroorzaken in de INR. Het is verstandig bij dit soort ziektes de INR-waarde extra te controleren en de dosis tabletten zonodig tijdelijk aan te passen. Het is belangrijk dit tijdig te melden bij de trombosedienst.
Stress Het is gebleken dat ook bij stress en spanning de INR kan stijgen
Vaccinatie Injecties in een ader (intraveneus) of onderhuids (subcutaan) kunnen te allen tijde worden gegeven.
Injecties in de spieren (intramusculair) moeten worden vermeden aangezien dit bloedingen kan veroorzaken. Bijna elke vaccinatie kan onderhuids worden toegediend. Aanpassing van de antistollingsbehandeling is dan niet nodig.
Indien bijzondere vaccinaties noodzakelijk zijn die uitsluitend in de spier kunnen worden toegediend, dient de antistollingsbehandeling tijdelijk te worden aangepast. Neem hierover altijd tevoren contact op met de arts van de trombosedienst. In het algemeen kan gesteld worden dat de richting van het effect van bepaalde situaties op de antistolling voorspelbaar is, maar de mate van het effect niet. Dit is een duidelijke reden om te blijven controleren.
Operatie, onderzoek en tandartsbezoek Het duurt langer voor het bloed stolt bij patiënten van de trombosedienst omdat zij antistollingstabletten gebruiken. Daardoor kan bij een operatie of onderzoek waarbij b.v. een stukje weefsel wordt verwijderd of een punctie wordt verricht een ongewenste bloeding ontstaan.
Indien u voor het trekken van een tand of kies naar de tandarts moet, vertel dan altijd dat u onder behandeling bent van de trombosedienst. Het boren en vullen van gaatjes geeft geen problemen, maar het trekken van tanden en kiezen kan echter wel tot een bloeding leiden. Soms kan ook het verwijderen van tandsteen bloederig zijn. Informeer in bovenstaande gevallen altijd de trombosedienst. Het doseerschema kan dan tijdig worden aangepast, zodat de kans op problemen zo gering mogelijk wordt.
Bloeding Door antistollingsmiddelen "bloedt u makkelijker", blauwe plekken zijn sneller zichtbaar en vrouwen kunnen heviger menstrueren. Dit is een bijwerking van antistollingsmiddelen. Indien dit vaak voorkomt of ernstig is, kan dit betekenen dat de INR te hoog is. Daarom is extra controle nodig en kunnen er eventueel maatregelen genomen worden. Overleg met de arts van de trombosedienst is altijd gewenst.
Aanwijzingen voor bloedingen kunnen b.v. zijn:
langdurige bloedneus of uitgebreide bloeding van mondslijmvliezen
grote blauwe plekken zonder aanwijsbare reden
bruine urine of bloed in de urine
zwarte ontlasting of bloed in de ontlasting
zicht-, spraak-, gevoelsstoornissen
verlammingsverschijnselen
andere onverklaarbare ziekteverschijnselen
Bij ernstige bloedingen zoals het ophoesten of braken van bloed, bij een bloeding in een spier of gewricht en zeker bij een bloeding in het hoofd of de hersenen is direct ingrijpen noodzakelijk. Opname in het ziekenhuis kan nodig zijn om de bloedstolling direct te normaliseren. Het is in die gevallen zaak om direct contact op te nemen met de huisarts, specialist of de arts van de trombosedienst. Gelukkig zijn deze ernstige bloedingen zeldzaam.
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat de voordelen van antistollingsbehandeling in geval van trombose groter zijn dan de nadelen. Het is dus toch goed om antistollingsmiddelen te gebruiken. Hoe stabieler de antistolling is, hoe lager de kans op complicaties. Controleer de INR dus regelmatig.
Bloedingen kunnen optreden als gevolg van een te hoge INR, maar helaas kunnen bloedingen ook optreden bij INR-waarden in het streefgebied. Het is belangrijk om de oorzaak van een bloeding te vinden. Het kan een uiting zijn van een andere aandoening b.v. een blaasontsteking of een maagzweer of een kwaadaardige aandoening.
Antistolling en verwondingen De meeste vleeswonden met oppervlakkige beschadigingen bloeden niet ernstig. U kunt de bloeding stoppen door een pleister of steriel gaasje op de wond te drukken. Grotere wonden dienen gehecht te worden. Bij een slagaderlijke bloeding kan ernstig bloedverlies optreden. Druk in zo'n geval hard op de wond en ga direct naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
u geopereerd dient te worden of een andere ingreep of onderzoek dient te ondergaan waarbij de antistolling voor enkele dagen gestaakt dient te worden of op een andere manier de ingreep overbrugd dient te worden
u tanden en/of kiezen moet laten trekken
u een intramusculaire injectie krijgt toegediend d.w.z. een injectie in een spier
er wijzigingen zijn in uw gegevens (adres, telefoonnummer, ziekenfonds, huisarts etc.)
op vakantie gaat: uiterlijk 1 week van te voren doorgeven aan de trombosedienst
Bij ongevallen, grote blauwe plekken, donkerrode urine, zwarte ontlasting of andere bloedingen contact opnemen met uw huisarts, maar ook met de trombosedienst.
Neem geen aspirine of andere pijnstillers die aspirine bevatten. Indien u dit medicijn wel voorgeschreven krijgt neem dan contact op met de trombosedienst. Pijnstillers die wel mogen zijn: Paracetamol, Panadol.
Het post-trombotisch Syndroom en het belang van therapeutisch elastische kousen. Na een doorgemaakte diep veneuze trombose ontstaat in meer of mindere mate schade aan het diep veneuze systeem. Dit geeft een verhoogd risico van het opnieuw ontstaan van een diep veneuze trombose en van het post-trombotisch syndroom. De klinische verschijnselen van het post-trombotisch syndroom kunnen variëren. Klachten kunnen zijn o.a. moeheid, zwaar gevoel, pijn in de kuit en/ of bovenbeen. Las gevolg van oedeemvorming kan er een toename ontstaan van de omvang van de enkel en kuit (vocht in benen) of een krans van aderen ter hoogte van de enkel. Andere symptomen kunnen zijn spataderen, pigmentaties, bruin gekleurde huid en verlies van soepelheid van de huid. Het meest ernstige beeld is een open been (ulcus crusis).
Preventie en behandeling met therapeutisch elastische kousen Het gebruik van de elastische kousen (compressiekousen) dient om de mogelijkheid van een post-trombotisch syndroom te verminderen. Het voorschrijven op korte termijn na een diep veneuze trombose vermindert de ontwikkeling van het post-trombotisch syndroom. Het is belangrijk dat de elastische kousen goed worden aangemeten. Zij dienen namelijk een bepaalde druk te geven. De elastische kousen mogen niet slobberen, maar ook niet knellen. Het is essentieel om goede voorlichting te geven, omdat dit het dragen van kousen zal bevorderen. Het zelf niet kunnen aan- en/of uittrekken van de kous is voor oudere mensen vaak een probleem. Tegenwoordig zijn er echter goede hulpmiddelen voorhanden, die bovendien vergoed worden door de zorgverzekeraar. Hoelang dienen dergelijke kousen gedragen worden? Men kan stellen dat de kousen gemiddeld 2 jaar gedragen dienen te worden, maar natuurlijk langer bij de cliënten die reeds symptomen van een post-trombotisch syndroom hebben (zware benen, opgezette bloedvaten, opzetting van het been0. Deze cliënten zullen ze moeten blijven dragen. De kousen dienen niet te worden gedragen tijdens het slapen, daar dan de druk op de aders veel lager is. Bij lang staan is het wel belangrijk om ze te dragen, daar dan de druk het hoogst is.
Heeft u uw tabletten vergeten in te nemen, neem dan de volgende dag contact op met de trombosedienst. De trombosedienst zal u een nieuw advies geven. Neem nooit de vergeten tabletten de volgende dag extra in.
Probeer dit altijd 's avonds bij het eten te doen en kruis dit af op de doseerkalender. Houdt u nauwkeurig aan de voorgeschreven aantal tabletten, zoals aangegeven op de doseerkalender.
Vrouwen die nog nooit trombose hebben gehad en de anticonceptiepil gebruiken, lopen afhankelijk van de pilsoort een vier- tot achtmaal grotere kans op trombose (16 tot 30 vrouwen op de 100.00 vrouwen per jaar).
De kans op trombose ligt hoger voor vrouwen die de zogenaamde 3e generatiepil gebruiken dan voor diegene die de 2e generatiepil gebruikt.
Indien men de pil wil gaan gebruiken is het verstandig om, wanneer men reeds andere risicofactoren voor trombose heeft zoals stollingsafwijkingen of een medische voorgeschiedenis met trombose, dit met de huisarts of de specialist te overleggen. Vrouwen die kort na het starten van de pil trombose krijgen, mogen geen pil meer gebruiken gezien dit verhoogde risico op trombose. Indien men toch voor de pil kiest, dient gekozen te worden voor een zogenaamde 2e generatiepil en niet voor een 3e generatiepil daar bij deze laatste het risico op trombose verhoogd is.
Is trombose erfelijk? Helaas kan daar geen duidelijk antwoord op gegeven worden. Soms zit trombose "in de familie" en ook kan het zijn dat een patiënt een erfelijke afwijking heeft die de kans op trombose verhoogd. Maar je hoeft met een erfelijke afwijking niet persé trombose te krijgen. Trombose treedt meestal pas op als verscheidene risicofactoren tegelijkertijd aanwezig zijn. Vooral als die factoren elkaar versterken neemt het risico toe. Men spreekt van verworven oorzaken, zoals een operatie, zwangerschap, kraambed, langdurige bedrust, anticonceptiepil, ernstige ziekten, en van erfelijke oorzaken, o.a. Factor V Leiden, Proteïne C tekort, Proteïne S tekort, verhoogde Factor VIII etc.
Het tromboserisico wordt door de verworven risicofactoren meestal zo'n twee tot vijf maal verhoogd. Dit geldt ook voor de erfelijke risicofactoren. Dat het dragerschap van een erfelijke tromboseneiging niet "voldoende" is om trombose te krijgen, blijkt uit het feit dat bijna niemand met trombose geboren wordt, terwijl de erfelijke afwijking al wel aanwezig is.
De erfelijke afwijkingen zijn trombose -"bevorderend". Met de huidige kennis kunnen we helaas nog niet met zekerheid voorspellen of iemand ooit trombose zal krijgen en zo ja, wanneer en onder welke omstandigheden. Er wordt veel onderzoek verricht en zo komen we steeds meer te weten over het ontstaan van trombose.
Wat zijn de erfelijke risicofactoren?
Factor V Leiden (APC-resistentie)
de protrombine mutatie
de deficiënties (tekorten) van Proteïne C, Proteïne S en antitrombine III zijn erfelijk.
Hoger Factor VIII
Hoge homocysteïne niveaus
Het is nog onduidelijk of een verhoogde Factor VIII en homocysteïne erfelijk zijn bepaald. Dat deze afwijkingen erfelijk zijn wil niet zeggen dat de eventuele trombose van de ouder ook zal overerven! Het kan ook zijn dat de ouder met trombose twee afwijkingen heeft en dat geen van de kinderen beide factoren erft.
Lichamelijke inspanning Geeft normaal gesproken geen probleem. Maar wanneer u weinig lichaamsbeweging heeft en dan ineens zeer zware lichamelijke inspanning verricht, dan kan dat wel een schommeling geven in de aanmaak van stollingsfactoren en voor het instellen van de INR. Lichamelijke inspanning kan dus wel enige invloed hebben. Wees voorzichtiger en neem bij een blessure of (verdenking op) een bloeding snel contact op met uw huisarts, de trombosedienst of de Eerste Hulp van een ziekenhuis.
Vakantieadviezen Gaat u met vakantie geef dit tijdig aan de medewerker van de trombosedienst door. U ontvangt van de trombosedienst een “vakantiebrief” waarop belangrijke informatie staat, indien u elders gecontroleerd moet worden.
Vakantie in Nederland Bent u in Nederland met vakantie en moet u tijdens uw vakantie voor controle naar een trombosedienst dan kunt u op de site van de FNT (www.fnt.nl) de trombosedienst opzoeken die het dichtst bij uw vakantiebestemming in de buurt is. Het is verstandig met de door u gevonden trombosedienst telefonisch contact op te nemen vooraf aan de controle om nadere afspraken hierover met elkaar te maken.
Vakantie in het buitenland Buitenlandse reizen kunnen problemen met zich meebrengen voor mensen met een antistollingsbehandeling. Bij eventuele controles in het buitenland kan de taal een probleem zijn, andere testmethodes met andere testeenheden. Verandering van klimaat en een ander leef- en eetpatroon kunnen de antistollingsbehandeling beïnvloeden. Informeer uw trombosedienst tijdig over uw vakantieplannen. Alleen dan kunnen controles goed worden gepland en is een controle op uw vakantieadres wellicht te voorkomen. Laat u enkele dagen voor uw vertrek nog even controleren. Neem altijd uw doseerkalender mee voor de juiste gegevens over uw behandeling en vraag naar een vakantiebrief, indien mogelijk in de taal van het land van bestemming, bij de trombosedienst. Zo kan een buitenlandse arts u helpen bij controles en/of problemen. In het buitenland beschikt men meestal niet over het systeem van trombosediensten zoals in Nederland.
Indien er vaccinaties nodig zijn, dient u dit tevoren met de arts van de trombosedienst te bespreken. De meeste injecties kunnen onderhuids gegeven worden. Voor injecties in de spier dient de antistollingsbehandeling tijdelijk lager te worden ingesteld.
De antistollingsmiddelen zijn niet allemaal beschikbaar in alle landen. Het is verstandig om voldoende antistollingsmiddelen mee te nemen. Het kan voorkomen dat u toch tijdelijk een ander antistollingsmiddel moet gebruiken, dan dient de INR zeer frequent te worden gecontroleerd om de juiste dosis vast te stellen. Contact met de arts van de trombosedienst is wenselijk. Met het vliegtuig Maakt u een vliegreis dan is het verstandig uw antistollingsmedicijnen te verdelen over uw bagage en uw handbagage in geval één van beide zoek raakt.
In de literatuur zijn de afgelopen jaren enkele publicaties geweest over het optreden van trombose in aansluiting aan een vliegreis. Vliegreizen kunnen in theorie aanleiding geven tot twee van de drie risicofactoren voor het ontstaan van trombose, namelijk belemmering van de bloedstroom en een verhoogde stolbaarheid van het bloed. Het soms langdurig stilzitten en een relatief krappe vliegtuigstoel, kan leiden tot een verminderde afvoer van het aderlijke bloed (veneuze bloedstroom) in de benen. Een gevolg van de langdurige samendrukking van de ader in de knie. Zowel het lage zuurstofgehalte in de lucht -als gevolg van de lage luchtdruk- als de lage luchtvochtigheid en een beperkte vochtinname in de vliegtuigcabine kunnen bijdragen aan een verhoogde stolbaarheid van het bloed. Direct bewijs voor het ontstaan van trombosevorming tijdens omstandigheden zoals die zich voordoen ontbreekt.
Preventieve maatregelen bij lange vliegreizen:
meer bewegen aan boord
zo veel mogelijk, liefst water, drinken. Vermijdt alcohol.
goed bewegen van de benen
niet te strakke kleding aan, evt. schoenen uit
evt. medicamenteuze preventie met LMWH (momenteel enkel op individuele basis voor patiënten met een duidelijk verhoogd tromboserisico)
N.B. Voor mensen van wie gebleken is dat ze zeer trombosegevoelig zijn, kan het raadzaam zijn contact op te nemen met de huisarts. Echter, meestal gebruiken zij al antistollingstabletten, waardoor zij minder gevoelig zijn voor trombosevorming.
Indien u mag stoppen van uw behandelend arts vraag dan of uw behandelend arts dit schriftelijke wil doorgeven aan de trombosedienst. U kunt zelf telefonisch contact opnemen met de trombosedienst.
Er is een groot verschil tussen de éne patiënt en de ander. De één heeft een grotere behoefte aan antistolling dan de ander. Zelfs bij dezelfde persoon kunnen er verschillen in dosering zijn tijdens de behandeling.
Bloedstolling Bloedstolling is een systeem met twee doelen. Indien het bloed buiten het lichaam komt (bv. wondjes), dan moet het stollen. Zolang het bloed in de bloedvaten zit moet het vloeibaar blijven en vooral niet stollen. Bloed is een vitaal bestanddeel van het lichaam en vervoert zuurstof, voeding- en afvalstoffen door het lichaam naar de weefsels. Bloed stolt onder bepaalde omstandigheden om wondjes binnen en buiten het lichaam te sluiten. Bloedplaatjes en stollingseiwitten spelen daarbij een belangrijke rol. De stollingsfactoren vormen een onderdeel van het stollingssysteem. Daarnaast beschikt het lichaam over een antistollingssysteem dat ervoor zorgt dat de stolling in de hand wordt gehouden door stolsels op te lossen of stollingsfactoren af te breken. De bloedstolling is dus een verdedigingsmechanisme van het lichaam.
Bloedstolsel Bij sommige ziekten schiet dit verdedigingsmechanisme door. Dit is het geval als het bloed stolt in het lichaam zonder dat er sprake is van een verwonding. Een dergelijk bloedstolsel noemen we "trombus" en de ziekte noemen we trombose. Een bloedstolsel kan in feite overal in het lichaam gevormd worden, zoals in de kamers van het hart, in slagaders of in aders. Allerlei oorzaken kunnen leiden tot vorming van een aan de vaatwand vastzittend bloedstolsel. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan door afwijkingen van de vaatwand zoals bij aderverkalking (atherosclerose), afwijkingen van het stollingssysteem of veranderingen in de stroomrichting van het bloed (bij hartritmestoornissen en langdurige bedrust). Ook als het bloed in contact komt met vreemd materiaal, zoals bij een kunsthartklep, ontstaat er een verhoogde kans op de vorming van bloedstolsels.
Controle van de antistolling. Uw controle bij de trombosedienst bestaat eruit door bloed uit een ader (veneus) of bloed uit een vingertop (capillair) te vermengen met een stof die de stolling activeert. Het resultaat van de stollingstest wordt uitgedrukt in INR wel International Normalized Ratio. Dit is een internationaal erkende en gebruikte waardebepaling om de mate van het stollingseffect van de antistollingstabletten te meten. Ook ziekenhuizen in andere landen gebruiken deze INR-waarde..
Meten van INR Op geleide van de INR wordt de dagelijkse dosis antistollingstabletten geadviseerd. Bij aanvang van de behandeling wordt de INR vaak gemeten, omdat er nog een evenwicht gevonden dient te worden. Als de INR stabiel is, wordt er een doseringsschema voor langere tijd gegeven.
De uitslag De uitslag van de stollingstest (INR) en de dosering van de antistolling (het aantal tabletten) en de nieuwe afspraakdatum noteert de trombosedienst op de doseerkalender. Deze wordt per post verstuurd en ontvangt u de volgende dag na de controledag.
Waarden in INR
normaal / niet ontstold : INR 1.0
hoe meer ontstold hoe hoger de INR : bijvoorbeeld een INR 2.0 of 3.0
Trombose is de vorming van een bloedstolsel in een ader of slagader, waardoor de doorstroming van het bloedvat belemmerd wordt. Het kan in elk bloedvat optreden. Wat u daarvan merkt en de ziekte die u daarvan krijgt is afhankelijk van waar het stolsel zich heeft gevormd. Trombose is dus een stolsel op de verkeerde plaats.
1. Onder normale omstandigheden ontstaat bloedstolling alleen als we
ons verwonden, bloedingen komen dan snel tot staan.
Er worden niet onnodig bloedstolsels gevormd.
2. Trombose kan ontstaan
als de bloedvaten aan de binnenkant niet glad meer
zijn, zoals bijvoorbeeld bij slagaderverkalking.
3. Als een bloedstolsel zo groot wordt dat het een bloedvat gedeeltelijk of volledig afsluit dan noemen
we dit trombose.
Oorzaken van het ontstaan van trombose zijn:
de vaatwand kan beschadigd zijn
vertraagde bloedstroom, weinig beweging, langdurige bedrust b.v. na een operatie
Welke soorten antistollingsmiddelen (cumarines of cumarinederivaten):
Acenocoumarol, welke een korte werkingsduur heeft
Fenprocoumon, welke een lange werkingsduur heeft
Warfarine, dit wordt in Nederland bijna niet gebruikt, wel in andere landen zoals Engeland en de Verenigde Staten. Cumarines verschillen in de snelheid waarmee de lever deze stoffen afbreekt. Daardoor bestaan er kortwerkende en langwerkende cumarines. De werking van de 3 soorten cumarines is hetzelfde want ze leiden allemaal tot een kunstmatig tekort aan vitamine K.
Acenocoumarol Het kortwerkende acenoucoumarol verdwijnt snel uit het lichaam. Als iemand acenocoumarol gebruikt dan is de volgende dag, voor de volgende dosis wordt genomen, al weer veel van de acenocoumarol uit het lichaam verdwenen en neemt het effect af. Hierdoor bestaat er dus bij gebruik van acenocoumarol meer kans op schommelingen van de INR, vooral wanneer een dosis wordt vergeten of de tijd tussen inname van de tabletten voor antistolling sterk wisselt. Dit komt de stabiliteit van de antistollingsbehandeling niet ten goede.
Fenprocoumon Fenprocoumon heeft een lange werkingsduur en blijft dus lang in het lichaam. Daardoor verandert de bloedspiegel vrijwel niet in de loop van de dag, ook niet als er per ongeluk een keer een dag wordt vergeten om de tabletten in te nemen. Een stabiele antistollingsbehandeling is belangrijk en de behandelend arts adviseert per persoon welk soort cumarine daartoe het meest geschikt is. De werking van al de cumarines kan onder andere vrij snel gestopt worden door het geven van vitamine K.
Diep veneuze trombose Bij een bloedstolsel in een ader spreekt men van een veneuze trombose. Veneuze trombose kan zich uiten in de vorm van een diep veneuze trombose (trombosebeen) of longembolie (stolsel in de longvaten). Een trombosebeen is een verschijnsel dat vaak voor komt en is eigenlijk ontstaan doordat we rechtop zijn gaan lopen. Door het rechtop lopen is de bloeddruk in de benen erg laag. Om het bloed terug naar het hart te krijgen, zitten in de aderen kleppen die het terugstromen naar de voet tegen gaan. Bij veel bewegen gaat dit makkelijker dan bij minder bewegen. De verschijnselen van een trombose zijn niet altijd duidelijk. U kunt weinig of veel klachten hebben. Als een bloedstolsel een ader in het been afsluit, kan het bloed niet meer weg. De kuit of het hele been kan gaan zwellen. Het been voelt vaak warm aan en kan rood-paars van kleur zijn. De huid kan strak zijn en glanzen. Het been voelt pijnlijk aan en lopen kost moeite.
Na vaststelling van een trombosebeen schrijft de behandelend arts de patiënt antistollingsmiddelen voor en wordt er gestart met LMWH (meestal Fraxiparine). Tevens wordt de patiënt aangemeld bij de trombosedienst. Wanneer er geen oorzaak voor de trombose gevonden wordt en er ook geen erfelijke aanleg is, duurt de behandeling tenminste zes maanden. Bij een trombosebeen wordt er naast de medicatie ook een steunkous voorgeschreven. De kous heeft naast een therapeutische werking ook een preventieve werking. Ze voorkomt zwelling van het been.
Longembolie Wanneer een bloedstolsel een bloedvat in de longen afsluit, krijgt een deel van de long geen bloed en daarmee ook geen zuurstof. Dit kan gepaard gaan met lichte kortademigheid en pijn bij het ademhalen. Ook hoesten met soms het opgeven van een beetje bloed kan een verschijnsel van longembolie zijn. De hevigheid van de klachten is afhankelijk van de grootte van het stolsel. Deze symptomen zijn weinig specifiek en kunnen ook het gevolg zijn van andere aandoeningen. Als gevolg van een groter stolsel en daardoor het afsluiten van een groter bloedvat in de long kan in het ergste geval een deel van de long afsterven.
Bij een sterk vermoeden op een longembolie zal de specialist niet wachten op de onderzoeksresultaten, maar direct met de behandeling starten en dus ook direct de medicatie beginnen. De behandeling is er op gericht om uitbreiding van het bloedstolsel en het ontstaan van (nieuwe) longembolieën te voorkomen. Het opruimen van trombose doet het lichaam voor het grootste gedeelte zelf, gelukkig, maar dat duurt enige tijd. In het algemeen zal een longembolie dan ook geen klachten meer geven. In zeldzame gevallen blijft kortademigheid, vooral na inspanning, bestaan. Bij een uitgebreide longembolie of na meerdere longembolieën kan de longcapaciteit aangetast worden. Het gevolg kan zijn dat het hart overbelast wordt en dat er een hoge bloeddruk in de longaders ontstaat.
Hartinfarct Het hart is een spier die als een pomp werkt. Door samen te knijpen (een hartslag) wordt het bloed via de slagaders naar de rest van het lichaam gestuwd. Om al dit werk te kunnen doen heeft het hart zelf ook bloed nodig. De toevoer gaat via een stelsel van slagaders, die het hart als een krans omgeven en daarom kransslagaders worden genoemd. Indien er een stolsol in de aanvoerende bloedvaten van de hartspier zit spreekt men van een hartinfarct. Aan een hartinfarct kunnen één of meerdere aanvallen van angina pectoris (pijn op de borst) vooraf gaan. De schade van een hartinfarct kan soms worden beperkt. Er wordt geprobeerd om een bloedvat dat dicht zit zo snel mogelijk weer open te krijgen. Dit kan via een dotterbehandeling maar ook door medicijnen (o.a. stolselafbrekende medicijnen, antistollingsmiddelen). Indien antistolllingstabletten (acenocoumarl, fenprocoumon) worden voorgeschreven zal na ziekenhuisopname het bloed regelmatig door de trombosedienst gecontroleerd dienen te worden.
Boezemfibrilleren Het hart heeft 2 harthelften. De rechter harthelft pompt zuurstofarm bloed naar de longen. In de longen wordt dit bloed van zuurstof voorzien. Daarna gaat het via de longader naar de linker harthelft. De linker harthelft pompt vervolgens het zuurstofrijke bloed door het lichaam. In het hart zit een fascinerend stukje biochemische electronica. Hoog in de boezem ligt de sinusknoop, die een electrische prikkel het hart instuurt. Die prikkel trekt een electrische schokgolf over de boezem, dat veroorzaakt een georganiseerde samentrekking van de spieren, waardoor het bloed vanuit de boezem naar de kamer wordt gepompt. De electrische schokgolf loopt niet helemaal dood in de boezem, maar trekt verder via de bundel van His (een soort zenuw) de kamer binnen. Ook daar veroorzaakt de prikkel een spiersamentrekking zodat het bloed de kamer wordt uitgepompt. Dag in dag uit.
Haperingen in de electronica leiden tot allerlei hartritmestoornissen; zoals boezemfibrilleren. Hierbij is de georganiseerde samentrekking van de spieren totaal verstoord. De electrische prikkeling glijdt niet langer mooi over de boezem naar beneden, maar ontaardt in een totale chaos van verspreide, lokale, snelle spiersamentrekkingen. De chaos in de boezem leidt ook tot een onregelmatige hartslag in de kamer, omdat het van toeval afhangt wanneer de prikkel de kamer bereikt. Een patiënt met boezemfibrilleren voelt met name dat chaotische geschud en gebons van de hartkamer in zijn borstkas. Er is nauwelijks bloedtransport van de boezem naar de kamer en vanuit de kamer wordt het bloed erg onregelmatig het lichaam ingepompt. Doordat het bloed vrijwel stilstaat, treedt er gemakkelijk bloedstolling op. Schiet zo'n stolsel los, dan kan het overal in het lichaam tot verstopte bloedvaten leiden met ernstige gevolgen. Boezemfibrilleren is de meest voorkomende ritmestoornis en de kans erop neemt sterk toe op oudere leeftijd. Oudere mensen krijgen eerder te maken met een uitgerekte boezem vanwege een pompfunctiestoornis of lekkende hartkleppen. Verder hebben ze ook vaak enige bindweefselvorming in de boezems. Met het voorschrijven van antistollingstabletten kunnen we het risico op stolselvorming verkleinen.
De cardioloog kan het hart weer in een normaal ritme laten kloppen met medicijnen en/of cardioversie (een stroomstoot door het hart), na enige tijd is antistolling dan vaak niet meer nodig. Indien een cardioversie niet slaagt is levenslange antistolling nodig. De beëindiging van antistolling dient echter altijd in overleg plaats te vinden, dus nooit op eigen initiatief.
Hartkleppen Het hart bestaat uit boezems en kamers. Kleppen tussen de boezems en de kamers en tussen de kamers en de slagaders voorkomen dat het bloed de verkeerde kant op stroomt. Elke klep heeft een specifieke naam (mitralisklep, aortaklep, pulmonalisklep en tricuspidalisklep). Tijdens het pompen van het hart gaan de kleppen voortdurend open en dicht. Aan de kleppen kunnen afwijkingen ontstaan bv. vastgroeien, vernauwingen, slap en uitgerekt. Indien er een afwijking wordt geconstateerd aan een klep kan een behandeling volgen. De behandeling is afhankelijk van de ernst van de afwijking. Soms kan een hartklep worden gerepareerd. Vaak is het echter nodig de klep te vervangen door bv. een kunstklep. Mensen met een hartklepafwijking gebruiken vaak stollingsremmende medicijnen, zodat er minder gemakkelijk bloedpropjes kunnen ontstaan. Controle door de trombosedienst is daarbij nodig. Bij een mechanische kunstklep (plastic en/of metaal) dienen levenslang antistollingstabletten gebruikt te worden. Bij een biologische klep of bij een gerepareerde klep, kan besloten worden, in overleg met de behandelend arts, de antistollingsbehandeling na ongeveer drie maanden te stoppen.
Een beroerte, een CVA De hersenen zijn een onderdeel van het centrale zenuwstelsel. Ze bestaan uit de grote en de kleine hersenen. De grote hersenen zijn in twee helften verdeeld. De rechterhelft bestuurt de linkerkant van het lichaam, de linkerhelft de rechterkant. Bij de meeste mensen ligt in de linkerhelft het gebied waaruit de taal wordt geregeld. De kleine hersenen sturen en coördineren de bewegingen. Men kan twee vormen van CVA onderscheiden:
een bloedvat in de hersenen wordt afgesloten door een bloedstolsel of er is een dichtgeslibd bloedvat aanwezig (bv. door slagaderverkalking). De hersenen krijgen te weinig of tijdelijk geen zuurstof, nu ontstaat er een herseninfarct.
een bloedvat in de hersenen scheurt of knapt open waardoor het bloed zich in het hersenweefsel ophoopt. Nu spreekt men van een hersenbloeding.
Er zijn een aantal factoren die het risico op CVA verhogen o.a. ouderdom, verhoogde bloeddruk, in het verleden een TIA (tijdelijk functieverlies door zuurstofgebrek) gehad, stress, suikerziekte, hartziekten etc. De behandeling is vooral gericht op het voorkomen en eventueel behandelen van complicaties. Vaak krijgen mensen antistollingsmiddelen voorgeschreven en komen dan na een ziekenhuisopname terecht bij de trombosedienst.
Zwangerschap en borstvoeding Orale antistollingsmiddelen zoals fenprocoumon en acenocoumarol kunnen via de placenta het kind bereiken en aangeboren afwijkingen veroorzaken: dat geldt met name tijdens de eerste 3 maanden van de zwangerschap. Daarna is dit risico veel kleiner. Heparine en laag moleculair gewicht heparine (LMWH) passeren placenta niet en kunnen tijdens de zwangerschap worden gebruikt.
Bij zwangerschapswens dient u contact op te nemen met uw huisarts, specialist en de arts van de trombosedienst. In onderling overleg kan het beste beleid worden vastgesteld. Zodra u overtijd bent moet een zwangerschapstest worden gedaan om de zwangerschap vast te stellen. Bij zwangerschap wordt de fenprocoumon of acenocoumarol doorgaans gestopt en wordt de antistolling geregeld met heparine of LMWH. De eerste drie maanden van de zwangerschap dient het gebruik van antistollingstabletten vermeden te worden. Na de 16e week kunnen de tabletten wel gebruikt worden tot enkele weken voor de bevalling. Het is ook goed mogelijk om de gehele zwangerschap door te gaan met de LMWH. Dit dient u goed te overleggen met uw arts.
Antistollingsmedicijnen worden uitgescheiden in de borstvoeding. De baby krijgt dan vitamine K druppels.