Wat is trombose?
   
   Wat is bloedstolling?
   
   Over antistollingsmiddelen
 
   Gebruik antistollingsmiddelen
 
   Leven met antistollingsmiddelen
 
   Trombose en erfelijkheid
 
   Indicaties
   
   Zelfmeetapparatuur
   
   Belangrijke informatie en adviezen
   

 

 

 

 
 
Diep veneuze trombose
Bij een bloedstolsel in een ader spreekt men van een veneuze trombose. Veneuze trombose kan zich uiten in de vorm van een diep veneuze trombose (trombosebeen) of longembolie (stolsel in de longvaten).
Een trombosebeen is een verschijnsel dat vaak voor komt en is eigenlijk ontstaan doordat we rechtop zijn gaan lopen. Door het rechtop lopen is de bloeddruk in de benen erg laag. Om het bloed terug naar het hart te krijgen, zitten in de aderen kleppen die het terugstromen naar de voet tegen gaan. Bij veel bewegen gaat dit makkelijker dan bij minder bewegen.
De verschijnselen van een trombose zijn niet altijd duidelijk. U kunt weinig of veel klachten hebben. Als een bloedstolsel een ader in het been afsluit, kan het bloed niet meer weg. De kuit of het hele been kan gaan zwellen. Het been voelt vaak warm aan en kan rood-paars van kleur zijn. De huid kan strak zijn en glanzen. Het been voelt pijnlijk aan en lopen kost moeite.

Na vaststelling van een trombosebeen schrijft de behandelend arts de patiënt antistollingsmiddelen voor en wordt er gestart met LMWH (meestal Fraxiparine). Tevens wordt de patiënt aangemeld bij de trombosedienst. Wanneer er geen oorzaak voor de trombose gevonden wordt en er ook geen erfelijke aanleg is, duurt de behandeling tenminste zes maanden. Bij een trombosebeen wordt er naast de medicatie ook een steunkous voorgeschreven. De kous heeft naast een therapeutische werking ook een preventieve werking. Ze voorkomt zwelling van het been.

Longembolie
Wanneer een bloedstolsel een bloedvat in de longen afsluit, krijgt een deel van de long geen bloed en daarmee ook geen zuurstof. Dit kan gepaard gaan met lichte kortademigheid en pijn bij het ademhalen. Ook hoesten met soms het opgeven van een beetje bloed kan een verschijnsel van longembolie zijn. Deze symptomen zijn weinig specifiek en kunnen ook het gevolg zijn van andere aandoeningen. Als gevolg van een groter stolsel en daardoor het afsluiten van een groter bloedvat in de long kan in het ergste geval een deel van de long afsterven.

Bij een sterk vermoeden op een longembolie zal de specialist niet wachten op de onderzoeksresultaten, maar direct met de behandeling starten en dus ook direct de medicatie beginnen. Diep veneuze trombose en longembolie zijn verschillende uitingen van veneuze trombose en worden op dezelfde manier behandeld. De behandeling is er op gericht om uitbreiding van het bloedstolsel en het ontstaan van (nieuwe) longembolieën te voorkomen. Het opruimen van trombose doet het lichaam voor het grootste gedeelte zelf, gelukkig, maar dat duurt enige tijd. In het algemeen zal een longembolie dan ook geen klachten meer geven. In zeldzame gevallen blijft kortademigheid, vooral na inspanning, bestaan. Bij een uitgebreide longembolie of na meerdere longembolieën kan de longcapaciteit aangetast worden. Het gevolg kan zijn dat het hart overbelast wordt en dat er een hoge bloeddruk in de longaders ontstaat.

Hartinfarct

Het hart is een spier die als een pomp werkt. Door samen te knijpen (een hartslag) wordt het bloed via de slagaders naar de rest van het lichaam gestuwd. Om al dit werk te kunnen doen heeft het hart zelf ook bloed nodig. De toevoer gaat via een stelsel van slagaders, die het hart als een krans omgeven en daarom kransslagaders worden genoemd. Indien er een stolsol in de aanvoerende bloedvaten van de hartspier zit spreekt men van een hartinfarct.
Aan een hartinfarct kunnen één of meerdere aanvallen van angina pectoris (pijn op de borst) vooraf gaan.
De schade van een hartinfarct kan soms worden beperkt. Er wordt geprobeerd om een bloedvat dat dicht zit zo snel mogelijk weer open te krijgen. Dit kan via een dotterbehandeling maar ook door medicijnen (o.a. stolselafbrekende medicijnen, antistollingsmiddelen). Indien antistolllingstabletten (Sintrom mitis, Marcoumar) worden voorgeschreven zal na ziekenhuisopname het bloed regelmatig door de trombosedienst gecontroleerd dienen te worden.

Boezemfibrilleren

Het hart heeft 2 harthelften. De rechter harthelft pompt zuurstofarm bloed naar de longen. In de longen wordt dit bloed van zuurstof voorzien. Daarna gaat het via de longader naar de linker harthelft. De linker harthelft pompt vervolgens het zuurstofrijke bloed door het lichaam. In het hart zit een fascinerend stukje biochemische electronica. Hoog in de boezem ligt de sinusknoop, die een electrische prikkel het hart instuurt. Die prikkel trekt een electrische schokgolf over de boezem, dat veroorzaakt een georganiseerde samentrekking van de spieren, waardoor het bloed vanuit de boezem naar de kamer wordt gepompt. De electrische schokgolf loopt niet helemaal dood in de boezem, maar trekt verder via de bundel van His (een soort zenuw) de kamer binnen. Ook daar veroorzaakt de prikkel een spiersamentrekking zodat het bloed de kamer wordt uitgepompt. Dag in dag uit.

Haperingen in de electronica leiden tot allerlei hartritmestoornissen; zoals boezemfibrilleren. Hierbij is de georganiseerde samentrekking van de spieren totaal verstoord. De electrische prikkeling glijdt niet langer mooi over de boezem naar beneden, maar ontaardt in een totale chaos van verspreide, lokale, snelle spiersamentrekkingen. De chaos in de boezem leidt ook tot een onregelmatige hartslag in de kamer, omdat het van toeval afhangt wanneer de prikkel de kamer bereikt. Een patiënt met boezemfibrilleren voelt met name dat chaotische geschud en gebons van de hartkamer in zijn borstkas. Er is nauwelijks bloedtransport van de boezem naar de kamer en vanuit de kamer wordt het bloed erg onregelmatig het lichaam ingepompt. Doordat het bloed vrijwel stilstaat, treedt er gemakkelijk bloedstolling op.
Schiet zo'n stolsel los, dan kan het overal in het lichaam tot verstopte bloedvaten leiden met ernstige gevolgen. Boezemfibrilleren is de meest voorkomende ritmestoornis en de kans erop neemt sterk toe op oudere leeftijd. Oudere mensen krijgen eerder te maken met een uitgerekte boezem vanwege een pompfunctiestoornis of lekkende hartkleppen. Verder hebben ze ook vaak enige bindweefselvorming in de boezems. Met het voorschrijven van antistollingstabletten kunnen we het risico op stolselvorming verkleinen.

De cardioloog kan het hart weer in een normaal ritme laten kloppen met medicijnen en/of cardioversie (een stroomstoot door het hart), na enige tijd is antistolling dan vaak niet meer nodig. Indien een cardioversie niet slaagt is levenslange antistolling nodig. De beëindiging van antistolling dient echter altijd in overleg plaats te vinden, dus nooit op eigen initiatief.

Hartkleppen

Het hart bestaat uit boezems en kamers. Kleppen tussen de boezems en de kamers en tussen de kamers en de slagaders voorkomen dat het bloed de verkeerde kant op stroomt. Elke klep heeft een specifieke naam (mitralisklep, aortaklep, pulmonalisklep en tricuspidalisklep). Tijdens het pompen van het hart gaan de kleppen voortdurend open en dicht. Aan de kleppen kunnen afwijkingen ontstaan bv. vastgroeien, vernauwingen, slap en uitgerekt. Indien er een afwijking wordt geconstateerd aan een klep kan een behandeling volgen.
De behandeling is afhankelijk van de ernst van de afwijking. Soms kan een hartklep worden gerepareerd. Vaak is het echter nodig de klep te vervangen door bv. een kunstklep. Mensen met een hartklepafwijking gebruiken vaak stollingsremmende medicijnen, zodat er minder gemakkelijk bloedpropjes kunnen ontstaan. Controle door de trombosedienst is daarbij nodig. Bij een mechanische kunstklep (plastic en/of metaal) dienen levenslang antistollingstabletten gebruikt te worden. Bij een biologische klep of bij een gerepareerde klep, kan besloten worden, in overleg met de behandelend arts, de antistollingsbehandeling na ongeveer drie maanden te stoppen.

Een beroerte, een CVA

De hersenen zijn een onderdeel van het centrale zenuwstelsel. Ze bestaan uit de grote en de kleine hersenen. De grote hersenen zijn in twee helften verdeeld. De rechterhelft bestuurt de linkerkant van het lichaam, de linkerhelft de rechterkant. Bij de meeste mensen ligt in de linkerhelft het gebied waaruit de taal wordt geregeld. De kleine hersenen sturen en coördineren de bewegingen. Men kan twee vormen van CVA onderscheiden:
  • een bloedvat in de hersenen wordt afgesloten door een bloedstolsel of er is een dichtgeslibd bloedvat aanwezig (bv. door slagaderverkalking). De hersenen krijgen te weinig of tijdelijk geen zuurstof, nu ontstaat er een herseninfarct.
  • Een bloedvat in de hersenen scheurt of knapt open waardoor het bloed zich in het hersenweefsel ophoopt. Nu spreekt men van een hersenbloeding.

    Er zijn een aantal factoren die het risico op CVA verhogen o.a. ouderdom, verhoogde bloeddruk, in het verleden een TIA (tijdelijk functieverlies door zuurstofgebrek) gehad, stress, suikerziekte, hartziekten etc. De behandeling is vooral gericht op het voorkomen en eventueel behandelen van complicaties. Vaak krijgen mensen antistollingsmiddelen voorgeschreven en komen dan na een ziekenhuisopname terecht bij de trombosedienst. Een beroerte kan zowel lichamelijk als geestelijk grote gevolgen hebben. In eerste instantie voor de patiënt zelf, maar ook voor de directe omgeving.

    Het post-trombotisch Syndroom en het belang van therapeutisch elastische kousen.

    Na een doorgemaakte diep veneuze trombose ontstaat in meer of mindere mate schade aan het diep veneuze systeem. Dit geeft een verhoogd risico van het opnieuw ontstaan van een diep veneuze trombose en van het post-trombotisch syndroom.
    De klinische verschijnselen van het post-trombotisch syndroom kunnen variëren. Klachten kunnen zijn o.a. moeheid, zwaar gevoel, pijn in de kuit en/ of bovenbeen.
    Las gevolg van oedeemvorming kan er een toename ontstaan van de omvang van de enkel en kuit (vocht in benen) of een krans van aderen ter hoogte van de enkel. Andere symptomen kunnen zijn spataderen, pigmentaties, bruin gekleurde huid en verlies van soepelheid van de huid. Het meest ernstige beeld is een open been (ulcus crusis).

    Preventie en behandeling met therapeutisch elastische kousen

    Het gebruik van de elastische kousen (compressiekousen) dient om de mogelijkheid van een post-trombotisch syndroom te verminderen. Het voorschrijven op korte termijn na een diep veneuze trombose vermindert de ontwikkeling van het post-trombotisch syndroom.
    Het is belangrijk dat de elastische kousen goed worden aangemeten. Zij dienen namelijk een bepaalde druk te geven. De elastische kousen mogen niet slobberen, maar ook niet knellen.
    Het is essentieel om goede voorlichting te geven, omdat dit het dragen van kousen zal bevorderen.
    Het zelf niet kunnen aan- en/of uittrekken van de kous is voor oudere mensen vaak een probleem. Tegenwoordig zijn er echter goede hulpmiddelen voorhanden, die bovendien vergoed worden door de zorgverzekeraar.

    Hoelang dienen dergelijke kousen gedragen worden? Men kan stellen dat de kousen gemiddeld 2 jaar gedragen dienen te worden, maar natuurlijk langer bij de cliënten die reeds symptomen van een post-trombotisch syndroom hebben (zware benen, opgezette bloedvaten, opzetting van het been0. Deze cliënten zullen ze moeten blijven dragen.
    De kousen dienen niet te worden gedragen tijdens het slapen, daar dan de druk op de aders veel lager is. Bij lang staan is het wel belangrijk om ze te dragen, daar dan de druk het hoogst is.

  •  
     
       Trombosedienst Friesland Noord Borniastraat 34, Leeuwarden Telefoon (058) 286 79 30 Fax (058) 286 79 25