Wat is trombose?
   
   Wat is bloedstolling?
   
   Over antistollingsmiddelen
 
   Gebruik antistollingsmiddelen
 
   Leven met antistollingsmiddelen
 
   Trombose en erfelijkheid
 
   Indicaties
   
   Zelfmeetapparatuur
   
   Belangrijke informatie en adviezen
   

 

 

 

 
 
Trombose en erfelijkheid
Is trombose erfelijk? Helaas kan daar geen duidelijk antwoord op gegeven worden. Soms zit trombose "in de familie" en ook kan het zijn dat een patiënt een erfelijke afwijking heeft die de kans op trombose verhoogd. Maar je hoeft met een erfelijke afwijking niet persé trombose te krijgen. Trombose treedt meestal pas op als verscheidene risicofactoren tegelijkertijd aanwezig zijn. Vooral als die factoren elkaar versterken neemt het risico toe. Men spreekt van verworven oorzaken, zoals een operatie, zwangerschap, kraambed, langdurige bedrust, anticonceptiepil, ernstige ziekten, en van erfelijke oorzaken, o.a. Factor V Leiden, Proteïne C tekort, Proteïne S tekort, verhoogde Factor VIII etc.

Het tromboserisico wordt door de verworven risicofactoren meestal zo'n twee tot vijf maal verhoogd. Dit geldt ook voor de erfelijke risicofactoren.
Dat het dragerschap van een erfelijke tromboseneiging niet "voldoende" is om trombose te krijgen, blijkt uit het feit dat bijna niemand met trombose geboren wordt, terwijl de erfelijke afwijking al wel aanwezig is.

De erfelijke afwijkingen zijn trombose -"bevorderend". Met de huidige kennis kunnen we helaas nog niet met zekerheid voorspellen of iemand ooit trombose zal krijgen en zo ja, wanneer en onder welke omstandigheden. Er wordt veel onderzoek verricht en zo komen we steeds meer te weten over het ontstaan van trombose.

Wat zijn de erfelijke risicofactoren?

  • Factor V Leiden (APC-resistentie)
  • de protrombine mutatie
  • de deficiënties (tekorten) van Proteïne C, Proteïne S en antitrombine III zijn erfelijk.
  • Hoger Factor VIII
  • Hoge homocysteine niveaus

    Het is nog onduidelijk of een verhoogde Factor VIII en homocysteïne erfelijk zijn bepaald. Dat deze afwijkingen erfelijk zijn wil niet zeggen dat de eventuele trombose van de ouder ook zal overerven! Het kan ook zijn dat de ouder met trombose twee afwijkingen heeft en dat geen van de kinderen beide factoren erft.

    Wat is een gen?

    Een gen is een stukje erfelijk materiaal (DNA) dat de bouwinstructies voor een bepaald eiwit bevat. Van de meeste genen bezitten we 2 exemplaren; één op het chromosoom afkomstig van de moeder en één afkomstig van de vader. Een gen bevat informatie en deze dient steeds weer afgelezen te worden om een eiwit te kunnen maken, want de meeste eiwitten moeten voortdurend vervangen worden.

    Eiwitten (proteïnen) spelen een belangrijke rol bij de opbouw van organen en weefsels, zoals bij de bloedvaten, en bij het uitvoeren van allerlei processen in ons lichaam, zoals bloedstolling. Eiwitten die chemische veranderingen vergemakkelijken noemen we enzymen. Veel eiwitten die een rol spelen in de bloedstolling zijn enzymen, bv. (pro)trombine, antitrombine, Proteïne C. Andere eiwitten hebben een belangrijke helperfunctie, zoals Factor V, Factor VIII, Proteïne S. Homocysteïne is geen eiwit, maar een product van de stofwisseling.
    Het risico op trombose hangt sterk af van de precieze afwijking en of de afwijking éénmaal (heterozygoot) of tweemaal (homozygoot) voorkomt.

    Wat doen de erfelijke afwijkingen eigenlijk?

    Factor V Leiden: het stollingssysteem is een kettingreactie. Indien het stollingssysteem altijd actief zou zijn, zou ons gehele bloed stollen. Gelukkig bestaan er ook remmers, o.a. APC (geactiveerd Proteïne C). APC knipt de ruggengraat van Factor V op drie plaatsen. In Factor V Leiden ontbreekt de belangrijkste, daardoor blijft Factor V Leiden langer actief en wordt de kans op trombose groter. Protrombine mutatie: geen eiwit verandering, maar via een complex proces wordt er meer protrombine gemaakt. Protrombine wordt tijdens de stolling omgezet in trombine Dit enzym verzorgt vele belangrijke omzettingen.

    De rol van trombine in de stolling is dusdanig cruciaal dat het risico van trombose toch verhoogd wordt. Proteïine C, Proteïne S en antitrombine III deficiënties: Deze eiwitten remmen de stolling. Het paar Proteïne C/Proteïne S is verantwoordelijk voor het knippen van de actieve vormen van Factor V en Factor VIII, er wordt meer protrombine omgezet. Een tekort van deze factoren leidt dus tot meer trombine. Antitrombine (ATIII) bindt rechtstreeks aan trombine, waardoor trombine al zijn activiteit verliest. Door een tekort aan ATIII ontstaat een verhoogde kans op trombose. Hoge Factor VIII: te veel Factor VIII geeft een overactieve stolling. De actieve vorm van Factor VIII helpt bij de activering van
    Factor X.

    Factor X en Factor V zetten samen protrombine om tot trombine (de kettingreactie). De gecombineerde afwijkingen in deze eiwitten kunnen elkaar versterken en zo de kans op trombose verhogen. Hoge homocysteïne niveaus: is een afbraakproduct van de stofwisseling. Homocysteïne kan omgezet worden door een aantal enzymen die alle een vitamine nodig hebben. Het effect van het teveel is nog onzeker. Je kunt bij een groep trombose-patiënten met een verhoogd homocysteïne gehalte kan bestreden worden met extra vitaminen (foliumzuur bv.)

    Om de kans op nieuwe veneuze trombose bij patiënten met erfelijke risicofactoren te verkleinen worden zij soms langer behandeld met antistollingsmiddelen dan andere. Er ontbreekt echter voldoende wetenschappelijk bewijs en het is daarom verstandig om de optimale behandelduur per situatie met de behandelend arts te bespreken.
  •  
     
     
       Trombosedienst Friesland Noord Borniastraat 34, Leeuwarden Telefoon (058) 286 79 30 Fax (058) 286 79 25